Tennis

Twee a drie keer per week sta ik op de tennisbaan. Ik ben pas op latere leeftijd begonnen met tennis dus de wildcard voor Wimbledon laat ik aan me voorbij gaan, zal ik maar zeggen. Het verschil tussen tennissers die als kind goed zijn getraind en mensen zoals ik is gemakkelijk te zien. Mijn gebrek aan basistechniek betekent dat de zo gemakkelijk vergiftigde mentale dimensie veel ruimte inneemt. Tennissen is daarmee voor mij in de eerste plaats beoefenen. Tennis is zen.
Het begint al met de juiste intentie. Als ik kom spelen om een te kunnen zijn met alles, om me te verbinden met de baan, de lijnen, de bal, de speler aan de overkant, de bomen en de vogels rondom, dan raak ik in een weldadige flow die mij dankbaar stemt, ook bij dat mooie punt tegen. Maar als ik kom om te winnen of juist met een wankel zelfbeeld, dan verkrampen mijn bewegingen en buitelen de overtuigingen over elkaar in mijn hoofd, vooral op dat kritische moment net voor mijn opslag. Dan lijd ik. Niet omdat ik slecht speel en verlies. Maar omdat ik me eenzaam en verlaten voel. Als een achtergelaten kind in een bos. Bij elke misser benoem ik hardop mijn falen. Beetje bij beetje dood ik mezelf. Het mededogen van de ander bereikt me niet meer.
Ik draag het lijden zelf aan. Het komt niet van buiten. Ik draag het bij me als ik aankom en als ik vertrek is het gewicht ervan alleen maar toegenomen. Ik weet dat er lijden is, ik weet wat het lijden veroorzaakt, ik weet dat er een weg uit het lijden is.
Ik wilde dat ik nu een paar mooie, rake zinnen kon schrijven over wakker versus verwarring, over in balans of in gevecht te zijn met de werkelijkheid of dat ik enkele helende woorden, door de Boeddha aangereikt, zou kunnen reciteren. Maar eenmaal in verwarring is het hoogst haalbare vast te kunnen stellen dat je in verwarring bent. En daar dan liefdevolle rust in te vinden. Dat is wat ik vaak beoefen.
Niet alleen op de tennisbaan

Priemgetallen

Op 5 juli jongstleden kreeg de Brit James Maynard (35) de Fieldmedaille, de officieuze Nobelprijs voor de wiskunde. Hij bewees dat het aantal priemgetallen zonder een 7 (of welk ander specifiek cijfer dan ook) in de geledingen oneindig is. Priemgetallen zijn getallen die alleen deelbaar zijn door 1 en zichzelf. Mijn reactie was tweeledig. Ik moest eerst hard lachen om de ogenschijnlijke zinloosheid van een dergelijke prestatie. Zoals ik overigens ook regelmatig lach om de zinloosheid van mijn eigen prestaties. Maar ik werd gek genoeg ook blij van het bericht. Na een tijdje begreep ik waarom en vond er een paar woorden voor.
Er is – denk ik – een objectieve werkelijkheid. Alles (planten, dieren, rotsen, lucht) verhoudt zich in een vanzelfsprekendheid evenwicht tot die werkelijkheid. Zo niet de mens. Want die heeft hersens. En die hersens produceren angsten, illusies en lusten die tussen hem en de werkelijkheid in staan. De mens vervreemdt daarom gemakkelijk van die werkelijkheid met alle rampzalige gevolgen vandien… Die angsten en illusies maken natuurlijk ook gewoon deel uit van die werkelijkheid. Maar ze kunnen geen alternatieve werkelijkheden scheppen, al pretenderen ze dat – soms hardnekkig – zelf wel. Er is maar één werkelijkheid.
De Boeddha legde uit dat alles dat tussen ons en de werkelijkheid in staat lijden genereert. In meditatie wuiven we die angsten, illusies en lusten vriendelijk uit. We bevrijden ons. Het begrip ‘meditatie’ wordt overigens vaak verengd tot ‘zitten’. Ikzelf wandel liever. Ik denk dat het oplossen van wiskundige en natuurkundige problemen ook een vorm van meditatie, van bevrijding kan zijn.
Net als het creëren van een kunstwerk. Het gaat in al die gevallen om het vinden van een
vanzelfsprekende, evenwichtige verhouding tot de werkelijkheid, om er een mee te zijn. Belangeloos, egoloos, doelloos, onafhankelijk onderzoek naar wat is.
Dat natuurlijke evenwicht mag van mij ook ‘verbinding’ of ‘liefde’ heten. Of verlichting. Kunstenaars, wetenschappers, boeddhisten, iedereen lijkt een diep verlangen te hebben om in harmonie te zijn met, om één te zijn met dat alles dat wellicht in sommige godsdiensten ook wel God wordt genoemd. Een vanzelfsprekend, oordeelloos samenzijn. Van een boom en de zon. Van een vader en zijn kind. Maynard en de getallen. Rembrandt en het doek. Er zit niets tussen, geen angst, illusie of lust ….
Het was die gedachte die me blij stemde

Oogwit

Louie, de huishond, laat soms een wit randje op de ogen zien. Het is een zachtmoedig gebaar en kan geloof ik – het blijft gissen – verschillende dingen betekenen. ‘ Wil je me even aaien?’, ‘Ik wil wel maar begrijp niet wat je van me verwacht’ of ‘Je hoeft echt niet zo boos te doen’.
Ik heb altijd moeite gehad met non-verbale communicatie. Waarschijnlijk omdat mijn vader niets anders deed, meestal met negatieve toonzetting. Afkeurend het hoofd afwenden en vervolgens weglopen. De ogen sluiten en daarmee de innerlijke wanhoop manifesterend. Wanhoop over mij. En mijn zelfbeeld was hol genoeg om ruimte te kunnen bieden aan bijpassend schuldgevoel en zelfverwijt. Eenmaal op eigen benen heb ik me bekwaamd in het vinden van woorden voor de dingen, in het benoemen van het ongezegde. Voor sommigen tot vervelens toe spreek ik me uit en vraag de ander zich uit te spreken. Zo probeer ik de onveilige ervaring van het non-verbale achter me te laten.
Maar Louie leert me nu dat non-verbaal niet onveilig hoeft te zijn. Het oogwit is een zachtmoedig gebaar waarin altijd ook de boodschap ligt besloten: ‘Je bent belangrijk voor me. Je doet ertoe. Ik vertrouw je’. Hij raakt me soms als kind.

Messi

Hij lacht. Slaat z’n kruisjes. Rent het veld op. Een tegengoal. De laatste vanavond. Zíjn wedstrijd begint. Is het irritatie? Is het lol? Als een zwaluw beweegt hij door de verdediging heen. Kaatst op een onthutste tegenstander. Trekt een streep. Aan het eind bolt het doelnet eventjes. Waar kwam hij vandaan? Heeft íemand het gezien? Dan tegen de beweging van de keeper in rustig in de verre hoek. Gemak. Hij lacht. Weer die kruisjes. Die vingers naar de hemel. Intieme moment tussen hem en Hem. Wij kijken slechts toe, mogen hier zijn. Recht op de keeper af. Hij en de keeper. Ze weten beiden direct hoe dit afloopt. De prooi verstomt onder de boog van zijn poëzie. Een plichtmatige stuiptrekking. Dan rust hij. Hij rust wanneer het hem behaagt. Maar dan weer die oogjes. Die beentjes. Vertier. Vier man geveld voor de goal. Hij slaat z’n kruisjes. En hij lacht.

man-vrouw

Mijn vrouw zegt dat zij een doener is en ik een denker. Ik zet daar vraagtekens bij. Zij denkt al doende veel meer dan ik doe wanneer ik denk. Ik ben zeker meer denker dan doener maar zij is van beide markten thuis. Bij vrouwen loopt het ego minder voor de voeten en zij zijn dan ook gemakkelijker in staat om op hoffelijke wijze gelijkwaardigheid te suggereren, de man daarbij ‘in zijn waarde te laten’. Dat heeft vanzelfsprekend een averechts effect omdat het de feminiene superioriteit juist bloot legt. Mijn ego is met de jaren geschrompeld en ik heb voldoende ruimte gevonden om met respect en waardering vrouwelijke energieën te ervaren. Maar mijn vrouw moet niet denken dat ik daarin getroost hoef te worden, want dan maakt ze het verschil groter dan het is.
En mij kleiner dan ik ben. Of graag wil zijn…

Louie de Zenmeester

Louie is een wollige Australische Labradoedel, zestien weken geleden geboren. Sinds twee maanden is hij mijn huisgenoot en zal dat waarschijnlijk tot zijn of mijn dood blijven. In die afgelopen acht weken zijn veel vanzelfsprekendheden in mijn leven omgevallen. Zo word ik ’s nachts regelmatig noodgedwongen wakker en val ik overdag soms in slaap. Het dag-nacht ritme ligt aan stukken. En als ik denk dat ik de zaak onder controle heb zit hij plotseling met een schoen in z’n bek voor me en spurt hij, als ik hem probeer te pakken, ongrijpbaar snel weg. En als ik – al m’n boeddhistische reflecties ten spijt – iets probeer vast te houden, grist hij het onverwachts uit m’n handen.
Zenmeesters brengen al je zekerheden aan het wankelen. Totdat je alleen nog maar kunt glimlachen.
Als hij blaft doet dat pijn aan m’n oren. Als ik boos word, gaat hij nog harder blaffen. In een
hondenboekje lees ik dat hij mijn boosheid als aanmoedigend terugblaffen opvat. Als hij me met z’n vlijmscherpe melktandjes in m’n hand bijt moet ik ‘m niet in een reflex ruw van me afduwen want dat kan zich later tegen mij keren, leer ik. Ik moet hem iets anders aanbieden om in te bijten.
Zenmeesters spiegelen je ziel. Ze nodigen uit zachtheid in jezelf op te wekken, vertrouwen terug te vinden dat zorgzame liefde zich op den duur terugverdient. Ik moet mezelf weer terugvinden. Totdat ik alleen nog maar glimlach.
Mijn begrip van reïncarnatie reikt niet verder dan de gedachte dat mijn koolstofatomen mettertijd hun weg zullen weten te vinden in de circulaire natuur, soms tot in een nieuw levend wezen en verder dat een enkel woord van mij hier en daar herinnerd mag worden. Toch drong zich op een bepaald moment de volgende gedachte bij me op: ‘in Louie zal toch niet de ziel van …..?’ Dat was gistermiddag. Hij zat nadat hij had gedronken twee meter voor me op de mat en keek me recht aan.
Een marmot met het, ook mij betoverend, zelfbeeld van een ruig bemaande leeuw. Met z’n
kraaloogjes zei hij me: ‘Schrijf het allemaal maar op. Dat is goed voor je’.

Zoektocht


Als kind is mij het mysterie van de liefde niet onthuld. Lopen, eten, liefhebben… het zijn deze dingen die we ons in de eerste jaren van ons bestaan eigen maken mits ons de bouwstenen worden aangereikt. Als honger op jonge leeftijd de toon zet, zal eten het leven lang bovengemiddelde aandacht vragen. Want het tekort trekt diepe sporen in de ontspruitende geest, sporen die de kijk op de werkelijkheid voor altijd bepalen. In mijn geval heeft mijn leven zich ontrold als een never-ending zoektocht naar de liefde. Want hoeveel genegenheid en liefde op latere leeftijd mijn deel ook mocht zijn, ik kon deze nooit als zodanig herkennen. Omdat het mij aan de juiste antennes ontbrak. Antennes die een kind ontvouwt en afstemt op de liefde die de ouders uitzenden. Maar kun je als ouder een werkelijkheid overdragen waar je zelf niet in gelooft?
Liefde is voor mij als zwarte materie voor fysici. Ik heb een vermoeden van het bestaan van liefde maar dat vermoeden steunt slechts op indirecte waarneming. Fysici hebben nog nooit zwarte materie en zwarte energie gezien maar concluderen uit de bewegingen van hemellichamen en de samenhang van stelsels dat het er wel móeten zijn. Sterker nog: deze materie vormt volgens hen het overgrote deel van de werkelijkheid. Uit het gedrag van vrienden en geliefden (en niet het minst mijn lieve T.) mag ik concluderen dat liefde bestaat en dat er van mij wordt gehouden. Zeker weten doe ik echter niet. Tot op het onbescheidene af vraag ik dus: ‘vind je me aardig?’, ‘hou je van me?’. Maar eigenlijk geloof ik het antwoord nooit. Liefde blijft voor mij ongemakkelijk terrein dat af en toe verdrietig stemt. Want op een dieper niveau is er een weten: liefde bestaat echt en dat hadden m’n ouders me gewoon moeten vertellen. Sommige illusies zijn reëler dan je denkt.

Jimy Hendrix

Zag een documentaire over Jimy Hendrix. Met bijdragen van zijn muziekmaatjes Noel Redding en Mitch Mitchell. Zag een hardwerkende perfectionist, een gulle vriendenman met humor. Zag een lieve man, die op straat dolt met een glimlachende oude vrouw en haar bij het afscheid ridderlijk een handkus geeft. Een genie zonder opgeblazen ego zag ik, zonder hang naar roem, zonder geldlust. Zag een bescheiden kunstenaar, die zo graag alles van zichzelf wilde ontvouwen om het aan onze voeten te leggen. Hey Joe, The Wind Cries Mary, Voodoo Child. Jaren lang wilde hij samen spelen met Steve Winwood, maar hij durfde niet te bellen. Was bang niet goed genoeg te zijn. Zijn grote idool was Bob Dylan. Hendrix’ versie van ‘All Along the Watchtower’ was beter dan die van de meester zelf. Soms ervaar ik ons als een minder geslaagde diersoort. Maar met mensen als Jimy Hendrix blijven we het misschien waard.

Lowestoft Rally 2017 (IJmuiden-Lowestoft 1-5 juni),een persoonlijk verslag.


Lowestoft is een havenstadje met zo’n zestig duizend inwoners op de uiterste oostpunt van
Engeland. In tegenstelling tot de havens in de buurt kun je er ook met laag water
binnenlopen. Op 13 juni 1665 is precies daar onze complete oorlogsvloot door de Engelsen
in de pan gehakt. Een deel van de vloot bestond uit voor het gevecht slecht getrainde Oost-Indiëvaarders en andere koopvaarders. Het lukte gezagvoerder Wassenaer daarom niet ze
in de juiste gevechtslinie te krijgen. Daarbij waren sommige schepen zo vervuild met
aangroeisel onder de waterlijn dat ze erg traag waren. Van Wassenaer begon al gauw grote
twijfel te voelen maar kon niet meer onder de zeeslag uit. “Ik ben er in en ik moet er
deur” schijnt hij te hebben gesproken.
We vertrokken laat uit Lelystad met een matige oostenwind naar Den Oever waar we de
nacht in de haven doorbrachten. We zagen elkaar twee keer eerder. Kort. Ik was nog niet
tegen grote twijfels aangelopen. Maar hoe zou de werkelijkheid van deze vijf mannen (vier
opstappers en een schipper) op een kleine oppervlakte en overgeleverd aan de elementen
er de komende week uitzien? Vijf persoonlijkheden, elk met een geschiedenis, littekens,
ego’s, gewoontes, slaapgeluiden,… Openstellen en begrenzen op 1 m2 pp.
Gegeven de lengte van deze eerste dagtocht zag Kees, de kapitein, niet de noodzaak
wachten in te delen. In de loop van de week zou Kees het leiderschap laten zien dat schaars
maar effectief is: vertrouwen in je mensen uitstralend, altijd beschikbaar maar alleen naar
voren tredend als het nodig is en ons voortdurend gelegenheid gunnend om te leren. En
faciliterend natuurlijk: Kees schonk ons elk twee oordoppen en een slaapmasker. Hij kende
de tocht over zee en de Engelse havens op z’n duimpje.
Ook de volgende dagtocht van Den Oever naar IJmuiden verliep behaaglijk: matige wind en
een heerlijk zonnetje. Voor het eerst overzag ik het strand, met de vele badgasten, van
zeezijde. Een gevoel van kwetsbaarheid overviel me toen ik over de rustige maar machtige
golven de zandheuveltjes zag liggen die mij en anderen in slechte tijden zouden moeten
beschermen. Kees hield ons voor dat deze twee eerste dagen van belang waren voor een
nadere kennismaking en voor het inslingeren, het wennen aan de gemakkelijk zeeziek
makende deining. Ik had al de dag ervoor zwaar geschut in stelling gebracht: een
scopodermpleister achter m’n rechter oor.
In IJmuiden verzamelde zich de vloot voor de oversteek, de ‘kleine’ en de grotere schepen.
De weersvoorspellingen waren niet gunstig: weinig wind. Er zou inderdaad veel gemotord
moeten worden. Een enkel klein schip keerde al gauw terug omdat het niet genoeg brandstof
aan boord had om de hele reis op de motor te kunnen volbrengen. Het verbaasde me hoe
snel we de andere schepen uit het oog verloren. In de loop van de nacht stak gelukkig toch
wat wind op waardoor we uiteindelijk het grootste deel van de reis onder zeil konden varen.
Al gauw zagen we een paar natglanzende zeehondenkoppen met droefgeestige oogjes
tussen de golven. Verderop lieten enkele bruinvissen hun vin zien. Maar het meest trof mij
de door het beweeglijke water gebroken weerspiegeling van de maan die – ook halfvol –
almachtig over de hemel heerste. Omringd door het water waarin ieder van ons slechts kort
zou kunnen overleven ervoer ik enkel nederigheid.
We raakten enigszins vertrouwd met plotter, AIS en overige instrumenten en wisten de
waarnemingen van het oog en die van de instrumenten met elkaar in verband te brengen,
zeker waar het bewegingen van de grote schepen op de ‘shipping lanes’ betrof. Intussen
was het systeem van de wachten in werking getreden en leerde ik mijn maat Rob wat beter
kennen. Onze beider humor en zelfspot waren goed aan de ander besteed. Daarnaast

inspireerde de kalmte van Rob mij om mijn manische babbel even tot rust te laten komen.
Het was Kees die de wachten had ingedeeld.
Koen gaf blijk van een mateloze kennis van natuurkunde en werktuigen en materialen. Met
zijn deskundige betogen over voltage, ampère, koppels, vermogen, etc. bracht hij me vaak
meer uit evenwicht dan menig grote golf. Cock droeg een zekere seniore wijsheid uit, die
misschien niet altijd even manifest was maar dan toch een noodzakelijke energie is in een
veelkoppig team en een omgeving als deze.
De aanblik van Lowestoft vanaf het water beviel me. Hoewel er in de tweede wereldoorlog
behoorlijk was gebombardeerd was er veel oorspronkelijkheid in stand gebleven. De haven
zelf met de verweerde muren en prachtige lichtopstanden leek er al eeuwen zo bij te liggen.
Maar ook de typische Engelse huizen met de batterijen aan schoorsteentjes erop langs het
strand droegen bij aan het elan van een historisch haven- en badplaats. Ik realiseerde me
dat deze Nederlandse vloot net als toen in 1665 veel onervaren schippers in haar geledingen wist. Met de aangroei onder water zal het vast beter gesteld zijn. Er is nog een verschil. Er is geen vijand. Er is een haven die ook nu weet van onze komst maar ons deze keer welkom heet.
De banken voor Lowestoft gerond landden we in de haven aan tegen een jacht dat op zijn
beurt al twee boten van de wal verwijderd ligt. Centraal in de haven troonde het clubhuis van de Royal Norfolk & Suffolk Yacht Club. Aan het begin van de steiger liggen de kleinere boten als een mozaïek in elkaar geschoven. Ik denk terug aan al die jaren dat ik met mijn Edel V (5.40 x 2.40) IJsselmeer en Waddenzee bezeilde. Terwijl ik nu een meter boven het water zit gleden de golfkoppen toen vlak onderlangs m’n billen. Maar juist omdat mijn notendopje bij het minste geringste werd opgetild voelde ik me toen minder kwetsbaar dan nu in dat grote huurjacht dat zich met z’n massa en omvangrijke tuigage soms lijkt te vergissen in de machtsverhoudingen op zee.
‘s Avonds waren we voor het diner met alle honderd-en-twintig zeilers te gast in het clubhuis. In 2007 bestond de RN&SYC 150 jaar hetgeen toen in aanwezigheid van HRH The Princess Royal in stijl is gevierd. We kwamen aan een lange tafel schuin tegenover Ruth Davies, de eerste vrouwelijke Commodore van de club, te zitten. Als ze al had gezien dat ik vergeten was om overhemd, stropdas en colbert uit Nederland mee te nemen, liet ze daar niets van merken. Met haar charmante glimlach leek ze me uitstekend in staat om een brug te slaan tussen de in krijtrots gebeitelde tradities en de vluchtige dynamiek van onze tijd. Na het diner nam ze uitgerekend ons team mee en toonde ze met welhaast kinderlijke trots alle ruimtes in het huis. De glorie van weleer vertoonde hier en daar wat scheuren en vlekken. De deur van een slaapkamer sloot ze geschrokken weer snel. Hoorde ik een gilletje? Ik las meer Victoriaanse ondeugd dan verontwaardiging in de ogen van de Commodore.
De excursies van de volgende dag liet ik aan mij voorbij gaan. Een lange wandeling langs de
kust bracht me bij een door zoute stormen verweerd kerkje bovenaan de krijtrotsen met een vervallen kerkhof aan de voeten. Het kwam me voor dat als er een plek was waar zeenimfen en weerwolven elkaar ontmoeten het hier zou moeten zijn. Op de weg terug bestelde ik tot nauwelijks verbloemde verbazing van barvrouw en gasten een Cappuccino. Het was de tijd van thee. Of bier natuurlijk. Want daar is het hier de hele dag tijd voor.
De weg terug legden we in 16 uur af, voor Kees een record. Met een bakstagwind van 4 á 5
Bf. voeren we het grootste deel van de reis met een snelheid van 7 á 8 knopen. Voor het
eerst van mijn leven had ik een voorzorgsmaatregel tegen zeeziekte genomen en voor het
eerst van mijn leven werd ik zeeziek. Kees, vrijgehouden voor gevallen als deze, nam mijn
dienst over en op de bank liggend sloot ik mijn ogen. “Ik ben er in en ik moet er
deur” draaide het door m’n hoofd. Met de kust in zicht leerde ik dat zeeziekte gelukkig eindig is en ik kon genieten van de trip door de nachtelijke sluizen van IJmuiden en het ontwaakte Amsterdam.
Terug in de box schonk Kees ons een oorlam in en sprak zijn waardering uit over ons
zeemanschap. Omdat ik meerdere malen ‘duizend bommen en granaten’ roepend en de
bemanning voor ‘dekzwabbers’ uitmakend aan dek was verschenen, schonk ik ter
genoegdoening aan elk van mijn maten een originele dekzwabber uit Lowestoft. De kapitein kreeg een beeldje met vijf hazen waarvan er één vooruit keek en de andere vier zich vertwijfeld aan hem vastklampten.