tunnels

in Noorwegen toeren is door tunnels rijden
door menselijke mollengangen
piepkleine en soms ellenlange
die je zwijgend door de bergen leiden

in morele zin acht ik de mens niet hoog
maar technisch kan ie veel verzetten
geen massief kan het hem beletten,
de creatie van zo’n ondergrondse boog

mijn eerste tunnel was warmer en weker
ik werd, geloof ik, blij verwacht
maar nog steeds weet ik dan niet zeker

de laatste wordt wellicht de meest verfijnde
ik hoop dat die nog even wacht
het wordt de eerste zonder licht aan het einde

drop

ik hou van paarden in galop
van druppels op een webbenrag
van een oogopslag die ik ooit zag
maar het meest hou ik van drop

ik hou van een al te flauwe mop
van muziek en van theater
van zeilen op het grote water
maar het meest hou ik toch van drop

mijn diepste angst – ik geef me bloot –
is een leeggegeten drop-pot
meer nog dan ziekte of de dood

voor drop weet ik geen woorden
zelfs poëzie schiet hier te kort,
maar dat snapt alleen een mede-drop-gestoorde

verward

in het visserijmuseum in de haven
werden korte films getoond
over hoe de zee vissers beloont
met ruimen vol als gulle gave

ik zie veel spartelende vis,
in grote wordt een haak geslagen
niemand stelt hierover vragen
alsof zo’n moord vanzelfsprekend is

ze zeggen dat het leven hardt
maar ik word met de jaren weker,
raak door geweld steeds meer verward

waarheen leidt dit afnemend verweer
straks huil ik bij een groentekweker
want bij ‘t spitten doet ie de aarde zeer

dat het ooit mag lukken

Noren lachen niet zo vaak,
de ogen vaak half toegeloken
handen niet licht uitgestoken,
het leven lijkt een besloten zaak

waar bij ons Calvijn heeft toegeslagen
heeft hier Luther nederigheid beleden,
onbarmhartig het heidendom bestreden
en robuust gestrengheid uitgedragen

of zijn het de korte dagen en het klimaat
die de gemoederen drukken,
dat men elkaar de ruimte laat

de verschillen zijn soms groot, soms klein
toch hoop ik dat het ooit gaat lukken
omdat we per slot allen homo sapiens zijn

in onze naam

hier in Rekdal is zwaar gevochten
je vindt er bunkers en commandoposten,
grote kanonnen die gericht hun kogels losten
en loopgraven in wild gezochte bochten

batterij 22/976 hield lang stand,
door mijnenvelden ingesloten,
wie niet werd doodgeschoten
werd door vlammenwerpers neergebrand

over helden heb ik niets te melden
ik rook slechts angst en wanhoop
en de blinde drang om te vergelden

nog blijven ze in onze naam jonge mensen werven
om in een eigentijdse, gruwelijke soap
opnieuw zinloos te doden en te sterven

wolkendek

een wolkendek scheidt ons van de zon
de warmte moet nu van binnen komen
van ver achter onze dromen
daar waar het allemaal begon

er spookt van alles door ons hoofd
maar steeds is er een dieper voelen
een dieper willen, vrij van doelen
voor de mens die in wat-is gelooft

de werkelijkheid is één groot bericht
voor wie er op is afgestemd
en niet voor illusies is gezwicht

het wolkendek ontneemt ons niet het zicht
het toont juist wat is voorbestemd
dat wat verduistert brengt soms licht

temidden van immense krachten

alsof Neptunus vanuit zee
z’n klauwen in de kuststrook joeg,
diepe voren in de rotsen sloeg,
hij vormde er de fjorden mee

wat is de zee en waar begint het land
de grens lijkt in beweging
zoals menig wijze overweging
niet ontstond uit rechtlijnig verstand

ben een passant voor korte tijd
temidden van immense krachten
ben een seconde in de eeuwigheid

maar die seconde wil ik wel bestaan
al ben ik maar beperkt bij machte
al zou het nog om deze laatste regel gaan

labradoodle

vanochtend met Louie in een stare-down;
onze hoofden naar elkaar gebogen,
keek ik in twee melancholieke ogen,
als van een in Rusland getogen clown

open luiken van een hondengeest,
een half gedomistificeerde wolf
die nooit graag het onderspit dolf:
vecht of je bent er zelf geweest

plots slaat Louie z’n ogen neer
ik schrik, wat heb ik fout gedaan?
dan zie ik dat hij eens te meer

niet schrikt van mijn gestaald verweer
maar door mededogen is aangedaan
ik maak gewoon geen indruk meer

Trollen en Peer Gynt

nu staan we bij Dombas in de bergen
waar Ibsen zijn Peer Gynt tot leven bracht,
een sage die menigeen hoop én huiver bracht;
ook zijn hier trollen, een vreemd soort dwergen

de gelijkenis met Gynt grijpt me naar de strot,
het goed en kwaad van hem verteld,
hoe hij zich later als en ui heeft afgepeld…,
dat ik – als hij – bij haar mag zijn, tot slot…

maar onze sage is nog lang niet afgerond
voor nu is er de fjordenkust die op ons wacht
en later nog veel meer, bij leven en gezond

zo reizen wij, gedragen door de eeuwigheid
door geleefde dag en niet minder volle nacht;
het bestaan is groots en we hebben nog de tijd

garage

m’n lief en ik, we sliepen kort
verkeer joeg langs onze dromen,
uiteindelijk wel wat tot rust gekomen
ondanks de zorg over de ford

hij is gewond, die ouwe bak,
de koppeling aan stukken
het gaat misschien vandaag al lukken,
dat ons mobiel herrijze uit z’n wrak!

in de sfeer van ons mensvreemd verblijf
hebben we bij Mac Donalds gegeten,
‘t voedt niet maar het vult het lijf

het enige dat telt temidden van dit ongerief
is dat wij ons genoeg’lijk verenigd weten,
de hond en ik, tezamen met ons lief