wanneer ik Zwolle als een leven zie
als een lichaam van vlees en bloed
(en om welk besef zou ik dat niet?)
dat zich met menselijk groeien voedt
en haar sassenpoort als opening benoem,
welk beeld past dan bij deze metafoor:
de bron van liefde of een hoer?
gemeentelijk geveegde aars, de neus, een oor ?
nee, als mond, zie ik haar het allerliefst
want het is haar zwijgen dat mij zo bekoort
en haar stille zoen, wanneer ik langs haar fiets
maar ik weet dat zij als dame treurt en gruwt
van dat ’s weekends sassen in haar poort
en van al dat verkeer, bruut door haar strot geduwd
Losse grond
dorre voren achterlatend;
ontginnen met naasten – van brake aarde;
weer zullen wij naakte waarden
uit de tere zaden van de liefde winnen,
die in losse grond de mooiste vruchten baren;
alles sterft, maar nooit de zinnen
De nacht voor de Vluchteling
ik liep voor Jana, Gulrez
Stephanie en Aazar
Jade, Dilber en Kahdart
en ik droeg jullie, lieve dochters
in mijn hart
Ik liep voor de liefde en het licht
dat het donk’re noodlot ontwart
en ik droeg jou, broeder en zuster
in mijn hart
ik liep voor Aehem Ahmad
die met zijn piano tussen de ruïnes
geweld en onrecht tart
en ik droeg jou, vriend en geliefde
in mijn hart
ik liep voor de kleine witte vlinder
in dat struikje bij de start
en ik droeg jou, mijn gulle sponsor
in mijn hart
het wad
langs gouden stranden wil het water deinen
gestuwd door zon en maan
raakt het stille vormen aan
en streelt de naakte lijnen
elke keer verrast haar schoonheid hem
en het losbandig voelen, spelen, stoeien
waarin de golven schuimen en de kwelders bloeien
‘t is gek, maar juist de verbinding maakt hen vrij
het zijn hoge machten die genadeloos beschikken
het water trekt zich terug, de tijd is weer verstreken
ze heeft het aardse ritme nederig te slikken
wat rest is de nabijheid in de geulen en de kreken
maar steeds opnieuw zal de zee de gronden likken
en zullen golven op de stranden breken