influisteringen


ik heb gebaard
uit een ei
dat ik niet meer wist
maar nu bevrucht is
door een nachtegaal
van tussen oud vuil,
gewicht in mijn buik
hij heet
die-zolang-op-zich-liet-wachten-en-ook-zelf-moest-wachten,
maar ik noem hem mededogen
want me zonder verwijt nog zocht
en nu influistert
wat ik reeds wist
maar niet weten mocht


als je wil bezoeken,
kom dan als ons: naakt
als de late nacht
die het milde ochtendlicht verwacht

hemel


achter de hemel
brandt de hel
door gaatjes ‘s avonds
goed te zien
het zijn de kwade doden
die ik tel
door hemeldak geschoten
een enkel desondanks mischien

bipolair

in mij heerst een wrede klok
mijn tijd is zijn rijk en hij de keizer
steeds slaat het uur van overmoed en drang
dan weer de stonde van naakt en moe en bang
in een onbewaakt kwartier glimlach ik soms,
zinloos is wrok
ik ben dan even wijzer

Dubbelganger


de bomen
staan als bomen in het bos
toonbeeld
van oorspronkelijkheid
hier laat
mijn dubbelganger mij óók los
en kijkt niet om
als hij het bos uitschrijdt
de bomen
staan als bomen in het bos
en adem vult mijn buik

Blauw goud


het koren, ooit met zorg gezaaid,
ligt – nu een lijk van stro –
langgerekt te drogen
het blauwe goud is ijl verwaaid
ontglipt de oogst al tijden zo