Bergman

iemand gaat dood, maar blijft bestaan
de vorm verandert, maar wat is vorm
het lijf ontmanteld, maar wat is de norm
alleen de schijn gaat naar de maan

Ingmar Bergman beleed de waarheid
verwekte Bibi Andersson en Liv Ullmann
onthutste elke toeschouwer, maar hoe dan,
met zijn meedogenloze klaarheid?

hij is er nog, ik herkende hem vandaag
in een onstuimige waterval
die zich verdiepte, laag na laag

en zijn psycho-drama, ons door hem geboden,
van het onuitputtelijk menselijk tranendal
zag ik in een luthers kerkje, tussen de doden

Sonnetesie

mijn geest is soms een vurig paard
dat bokt naar alle kanten;
los van het leed in ‘s werelds kranten
rent het een eigen onbezonnen vaart

niet alle gekte hoeft te worden ingedamd
zo lijd ik momenteel aan sonnetesie
dat is een hypomane vorm van poëzie;
liever op hol, dan door de leidsels overmand

‘s nachts sta ik beschouwelijk in de wei
en vind voor bijna alles woorden
maar weet: die woorden zijn niet echt van mij

het is de taal van liefde die me drijft
ik ben slechts oren die de woorden horen,
ben slechts de hand die ze jouw schrijft

Noord-Duitsland

vandaag door noord-Duitsland heen gereden
de weiden, steden en het groengebekte hout,
‘t is als in Nederland, vertrouwd,
wat verschilt (of niet) is een bezwaard verleden

de hond kijkt door de ruit z’n ogen uit
vanaf z’n zetel, paus’lijk in het midden,
soms, de ogen toe, lijkt hij zelfs te bidden,
maar dan bezwijkt z’n ziel en zakt hij onderuit

we gaan goed voorbereid op reis,
we sjouwden en verstouwden tot we sliepen,
‘t is een stoffelijk pad al naar het paradijs

zij vol vernuft en in regie en ik die dromen mors,
ach, het zal allemaal nog wel verdiepen,
een paar dagen nog, dan zij we los

Mijn kruidentuin

mijn kruidentuin is een sonnet

de basis is vruchtbare aarde

en de vaak miskende waarde,

in vier kleine akkers ingebed

 

ik zaai ze in met open hand

de eerste twee met groot gebaar

de rest vooral niet al te zwaar

al raak ik soms door deernis overmand

 

de sterkste kruiden wortelen diep

op zoek naar oorsprong, het begin,

naar wat het allemaal ooit schiep

 

uit elke vrucht bloeit plots een woord

die samen zich ontpoppen tot een zin,

zelf wetend tot welke akker hij behoort

 

 

 

 

rode bloem


wandelend in de bergen van Manali
zag ik een boom
die een rode bloem droeg
op het puntje van een tak
toen ik naderde
viel het
en vloog weg, zingend:
ieder gaat een eigen weg
daarna was het uit zicht,
net als ik

de steen


de steen is verstilde energie
ontstaan uit grote druk
en dan tot rust gekomen
alsof je je in de spiegel ziet
geheeld uit stuk
met eind’lijk zoete dromen…

slaapgedicht voor op reis


als ‘s nachts jij in jouw slaapzak ligt,
je lichaam rustend, maar je ogen waken,
er flakkert hier of daar wat licht
en verderop loopt nog een rund te grazen,
voel dan de wind in je gezicht
die ‘k jou heb toegeblazen


als in de verte ‘n grote vogel grijpt
een prooi, bespied van boven,
klinkt er een stalen gil, die lang beklijft

– ‘t lijkt hier geroofd worden of roven -,
ruik dan de geuren van mijn lijf
die ik jou heb toegewoven


en als het trage janken van een hond
zich met de trommels weet te mengen
in een bizar fonisch verbond
die jouw lange dag nog wat doet lengen,
hoor dan de woorden uit mijn mond
die jou mijn liefde brengen


ontspan je nu van top tot teen
geen jungle-beest kan jou wat maken,
je ligt hier wel, maar nooit alleen
want als je zo in slaap zult raken,
voel dan mijn armen om je heen
en weet dat ik zal waken

liefde


liefde jaagt het leven soms
door hart en hoofd
maar kan je ook
in stilte overmannen
liefde kleedt je uit
je staat nu bloot
stralen raken je
en jij straalt zelf naar anderen
liefde is een kwetsbaar lot
dat je niet kan verkiezen
liefde is: ik hou van jou
en ik kan je ook verliezen
liefde is waar je voor gaat
van boreling tot dood
het is de zin van alle zin
dat kan geen mens veranderen

stokstaartje


voortdurend lijk je wel op zoek
al gravend in de grond
of rechtop turend in het rond;
ja, zó sta jij bij mij te boek
maar zul je ’t ooit wel vinden
wát jij ook zoeken mag,
bestaat het wel, wat jij nooit zag,
kan zoeken op den duur verblinden?
in stilte leed ik soms liefde-smart,
laat ik dáár geen doek om winden;
de nacht alleen was dubbel zwart,
jij lief, druk dier die mij verwart:
dat ík het was die jij zou vinden,
zo hoopte ik met mijn hele hart.