ons lot

(ergens in Spanje)

we staan hier naast een dode vulkaan
althans, dat mag een mens maar hopen
of laat moeder aarde ons slechts in de waan
en is ons lot minder voorspelbaar, dus open?

het zou me niets verbazen
dat ze, als ze ons mensen bezig ziet,
wel wat lava uit zou willen blazen,
wat moet ze anders met haar verdriet?

maar nee, daarvoor is ze wellicht te barmhartig
we mogen van haar zelf ons lot bepalen
moeder aarde is groots en machtig
kent geen boosheid, hoeft vast geen gram te halen

Gabo de Gata

de kust van Gabo de Gata oogt grillig
het binnenland ruig en verweerd
de hond is in deze warmte erg gewillig
de ruwe zee wordt straf gekeerd

we praten weinig en gedempt
de beelden spreken voor zichzelf
hier heersen krachten ongeremd
onder een haast wolkenloos gewelf

de doden

dicht bij het dorp wonen de doden,
niet als bij ons, onder de zoden,
maar gestapeld boven de grond,
ieder in een lade met een kleurig front

het dorp is stil, de luiken dicht
maar hier op ‘t kerkhof schijnt het licht
op de talrijke op foto vastgelegde ogen
die elkaar voor eeuwig begluren mogen

hier en nu

louie doet het me voor
hoe in het hier en nu te leven
hij drentelt kwiek en bedreven
tussen de scherpe rotsen door

het wordt lastig om niet alles wat je ziet
in een groter perspectief te plaatsen
om het hier-en-nu het hier-en-nu te laten
dreiging ligt in het verschiet6

de mensheid lijkt verdwaald te zijn
op huizen vallen bommen en granaten
in Malaga stroomt hagel door de straten
hoe houd ik zo’n gedicht nog klein…

maar Louie doet het me voor
hoe in het hier en nu te leven
hij drentelt kwiek en bedreven
tussen de scherpe rotsen door

één aarde

flamingo’s in het zoutmeer
staan te trappelen
niet uit ongeduld
want waar zouden ze ongeduldig
om kunnen zijn
maar om bodemdiertjes
op te schrikken
en ze vervolgens met hun
omgekeerde bovensnavel
te vangen

er is maar één vogel op aarde
die z’n voedsel met
de bovensnavel vangt

en er is zover we weten
maar één aarde
waar je zulke dingen
kunt zien

Calp

tussen de kapitale torens verzonken
ligt de oude binnenstad te pronken
waar ooit zeemannen hun reis afdronken
waar de straten naar visafval stonken
de hoeren met hun borsten lonkten
en waar bij onraad de kanonnen klonken

het zwak kloppend hart
van een verweesde stad

terug

thuis herpakt het ritme zich
vertrouwd, doorleefd, bekend
de reis kwam tot een end
de kaarten kunnen dicht

genieten van de eigen badkamer
‘s avonds nieuws op een groot beeld
de kleren weer in kasten ingedeeld
terug in de kist de baco en de hamer

toch leeft de reis nog voort
in beelden in m’n hoofd
in zoete poëzie verwoord

ik dank mijn lieve geest
zijn scheppingsdrang zij geloofd
zonder hem was ik er niet geweest

boomgrens

al weken passeren we die grens
soms van boven, soms van onderen
hij blijft me steeds verwonderen,
kan niet kiezen waar ik me ‘t liefste wens

geen enkele boom neemt deze horde
de natuur is onverbiddelijk
verdwaald zaad sterft onmiddellijk
hier handhaaft kou gestreng de orde

op deze grens staan geen wachten,
er zijn geen rollen prikkeldraad
noch zielen die naar vrijheid smachten

waar de natuur haar grenzen trekt
is geen controle, angst of haat;
er is de stilte die slechts compassie wekt

keerkring

vrij en uitgelaten stort
de stroom de diepte in,
zoekt zichzelf een nieuw begin
in woeste kolken, wit-besnord

elders dampt dit water weer omhoog
onder klimatologische bezwering,
ik sta hier ergens op die keerkring
tezamen met een trotse regenboog

de waterval verhaalt van overgave,
van de kunst om los te laten
je aan het onbekende te laven

de natuur spiegelt ons steeds weer
dat al die dingen waar wij over praten
net als wij verdwijnen, keer op keer

verwerken

beelden strelen mijn ogen
masseren m’n gemoed
verglijden in mijn bloed,
ze kunnen tranen drogen

steeds word ik overmand
als we een pas berijden
of uit een tunnel glijden,
verrukking overstijgt verstand

hoeveel schoonheid kan ik verdragen
onder dit verbluffend zwerk,
vaak schuilen antwoorden in vragen

het enige waar ik op moet letten
is dat ik m’n gevoel verwerk
in mijn gekoesterde sonnetten